We moeten praten

‘Wim, we moeten eens praten.’ Hij heeft zijn jas nog niet uit en ik zit hem al op de lip.
‘Wat doe jij nou?’ vraag ik als hij de televisie aanzet.
‘Ajax speelt.’ Hij schopt zijn schoenen uit en gooit zijn jas naast zich op de bank. De blik nog steeds op het scherm gericht, vraagt hij: ‘Wat wilde je zeggen?’
‘Niks,’ zeg ik, ‘het komt later wel.’ Ik meen opluchting te zien in zijn ogen.

Later die avond probeer ik het nog eens. ‘Kunnen we praten?’
Hij staat op en begint door de kamer te lopen. ‘Even de benen strekken,’ verklaart hij. ‘Zeg het maar.’
‘Nee, zo kan ik niet praten.’
‘Doe niet zo raar,’ zegt hij al ijsberend. ‘Wat is er nou?’
‘Laat maar.’ De verzengende zucht die ik slaak is minstens zo alarmerend als mijn woorden.
‘Laat maar,’ is zo’n uitdrukking waarvan elke man inmiddels weet: Laat het vooral niet!

Wim ploft naast me op de bank. Hij pakt de afstandsbediening om muziek aan te zetten, maar bedenkt zich bij het zien van mijn gezicht. ‘Wat is er?’ vraagt hij, voorbereid op een avond hormonale ellende.
En dan gebeurt het onmogelijke…
Ik weet niet meer wat me dwarszat. Geen flauw idee waar ik het eigenlijk over wilde hebben.

Verwachtingsvol kijkt hij me aan.
‘Ach, ik ben gewoon een beetje moe,’ zeg ik. ‘Ik ben aan vakantie toe.’
Heel lang blijft het stil. Dan een voorzichtig: ‘Was dat alles?’
Ik knik. Hij blijft me weifelend aankijken. In afwachting van de storm die hij nog steeds verwacht.
Dan slaat hij een arm om me heen. Heel voorzichtig alsof hij ieder moment een vuistslag verwacht. ‘Ach, lieverd,’ zegt hij, ‘dan gaan we toch lekker op tijd naar bed vanavond.’
Ik pink een traantje weg en leun tegen hem aan. Dat is alles wat ik wil.

blabla

Facebook reacties