Niet mokken – lekker wokken

Als het op (uit) eten aankomt ben ik behoorlijk verwend. Op het snobistische af. Niet dat ik alleen nog maar in luxe restaurants eet hoor, een stoofschotel in een brasserie kan me ook prima bevallen. Zolang ik maar warm en gezellig kan zitten. Een belangrijk onderdeel van die gezelligheid is tijd. Lekker natafelen met een kopje koffie of nog een wijntje bijbestellen.

Het is voor mij dan ook een grote straf als iemand voorstelt: ‘Laten we naar het wokpaleis gaan.’
Laat je niet misleiden door de term paleis, want het is niet meer dan een grote vreetschuur waar je zelf in de rij moet gaan staan met je bordje terwijl een puber met het zweet op het voorhoofd jouw eten wokt.

De eerste keer dat ik naar zo’n tent ging, nog onwetend, was ik met stomheid geslagen. Een enorme zaal met felle verlichting, volgestouwd met ronde tafels en mensen die de nodige decibellen produceerden. Ook wij namen plaats aan zo’n tafel onder een tl-lamp. Ik zocht naar een menukaart, maar die bleek er niet te zijn. Toen pas zag ik het buffet waar een massa mensen omheen dromde.

Na tien minuten kwam een serveerster om te vragen wat we wilden drinken. Mijn vriendin keek op haar horloge en zei tegen haar: ‘We hebben lang moeten wachten tot je de bestelling van de wijn opnam. Nu mogen we toch zeker wel een kwartiertje langer blijven zitten.’
Ik lachte om haar grap die niet grappig bleek te zijn. Anderhalf uur kregen we om ons eten naar binnen te werken. Gauw aansluiten in de rij dan maar.

De keuze was reuze, dat moet gezegd. Allerlei soorten vis, vlees en rauwkost. Al kon ik het beeld niet verdringen van de mensen die eerder boven dat buffet hadden gehangen. Zouden mensen ook netjes de daarvoor bestemde opscheplepel gebruiken of zaten ze er met hun handen aan? Hoe lang zouden die garnalen daar al liggen?
Niet mokken – lekker wokken, dacht ik en vulde mijn bordje.

De zorgvuldig verdeelde groente en kipfilet werden vervolgens allemaal bij elkaar gesodemieterd in de wok. ‘Welke saus?’ vroeg de Aziatische jongen toen ik een beetje onwillig mijn bord aan hem gaf.
‘Saus? Uh, welke keuze heb ik?’
In ramp tempo werden de diverse mogelijkheden genoemd, al kon ik het niet verstaan door het sidderen van de olie in de pannen. ‘Doe de eerste maar,’ zei ik.

Binnen twee minuten was mijn eten klaar. Over de kipfilet maakte ik me ernstige zorgen. Eenmaal aan tafel probeerde ik die ook zoveel mogelijk eruit te vissen. Het sausje dat ik had gevraagd bleek de overtreffende trap van pikant, waardoor alles op mijn bord hetzelfde smaakte. Alles wat ik bij de tweede ronde at, proefde ik niet meer omdat mijn smaakpapillen lamgelegd waren. De wijn was alleen nog lekker als blusmiddel.

Ik was uiteindelijk blij dat de marteling voorbij was. Anderhalf uur bleek achteraf verdomd lang te zijn.

Facebook reacties