Een lekker potje ruzie

Afgelopen zomer zaten Wim en ik in de tuin. We kregen een woordenwisseling en mijn ergernis had een hoogtepunt bereikt toen ik uitviel: ‘Doe wat je wilt, ik ben er klaar mee.’
Wim hield een wijsvinger tegen zijn lippen. ‘Sttt. De buren.’

Ik herinner me dat dat vroeger bij ons thuis ook zo ging wanneer er heibel in de tent was. Dan werd eerst alles hermetisch gesloten – alsof de muren de basstem van mijn vader konden filteren – en werd het conflict achter gesloten deuren voortgezet.

Mijn moeder die dan alvast fluisterend haar boosheid uitte; mijn vader die geduldig wachtte tot hij “veilig” kon uitbarsten; mijn broer die heimelijk wegsloop en ik….
Ik die als enige bleef razen en tieren tegen alle stiltemaningen in. Voor mijn ouders was het op zomerse dagen een race tegen de klok om met het hele gezin naar binnen te verkassen om te voorkomen dat buren onze vuile was konden zien wapperen.

Tot op de dag van vandaag begrijp ik dat niet. Die vreemde Nederlandse behoefte om altijd mooi weer te spelen. Om boosheid bij voorkeur op te kroppen of dan toch in ieder geval te parkeren tot later. Ik ben verdomme nu boos. Nu!

Natuurlijk zijn er fatsoensregels. Je kunt niet elk moment op elke plaats op iedereen schelden. Ik heb het ook niet over huiselijk geweld of burenruzies. Maar een gewoon huiselijk conflict, onenigheid tussen ouders en kinderen of tussen partners. Wat maakt het uit dat buren dat horen? Hoogstwaarschijnlijk denken ze: Ach, hiernaast is het gras ook niet altijd groen.

In veel Zuidelijke landen hoort het bij de reguliere avondgeluiden. Een scheldende man of vrouw is net zo normaal als het gekras van een uil of het geschreeuw van straatkatten. Waar niet met elkaar gesproken wordt, kan ook geen ruzie ontstaan. Dus ik vind het meestal een goed teken. ‘Was sich liebt, das neckt sich.’
Op vakantie in het buitenland denkt Wim er net zo over. We kijken elkaar glimlachend aan als ergens in de buurt een vrouw krakeelt tegen haar man.

Hier in Nederland, toen we in onze achtertuin zaten, dacht hij er kennelijk anders over. Hij sprak geen woord meer, tot we buiten gehoorafstand waren van denkbeeldige nieuwsgierige buren. ‘Waar ben je nou zo boos over?’ vroeg hij toen.
En toen, ja toen wist ik het niet meer.

Facebook reacties